De Volkskrant; Japan wordt slachtoffer eigen cultuur; 25 maart 2008

De Japanse economie voelt de gevolgen van de kredietcrisis maar heeft meer last van eigen isolationistische en conservatie installing.

Het hoofdkantoor van Credit Suisse op de 24ste verdieping van de glazen toren Izumi Gardens, biedt een prachtig uitzicht over centraal Tokio waar de afgelopen jaren tientallen kantoren en luxewinkelcentra aan de skyline zijn toegevoegd.
Verontrustende ontwikkelingen zoals de kredietcrisis en dreigende recessie in de Verenigde Staten, lijken op het eerste gezicht ver weg. Maar achter de façade van decadentie en luxe zijn de eerste klappen al gevallen.
De drie grote banken Mitsubishi UFJ Group, Mizuho en Sumitomo Mitsui Financial Group, zagen samen $4,69 miljard in rook opgaan als gevolg van de kredietcrisis.
En de Nikkei index dook onlangs zelfs ónder de 13.000 punten; de Japanse beurs daalde het afgelopen jaar 20 procent in waarde en analisten vrezen dat de bodem nog niet in zicht is. De angst voor de dalende dollar en een stagnerende vraag uit de Verenigde Staten, een van Japans grootste handelspartners, is groter dan het optimisme over de groei van het BNP (3,7 procent in het laatste kwartaal van 2007) en het gunstige werkloosheidscijfer (3,9 procent).

Na de ineenstorting van de vastgoedmarkt in Japan eind jaren tachtig, brak er een periode van economische neergang aan die zeker veertien jaar duurde. Ondernemingen moesten reorganiseren; banken fuseerden massaal en werden gedwongen om een berg aan oninbare leningen op te ruimen. Vandaar dat de Japanse banken minder hebben geleden onder de kredietcrisis dan hun Amerikaanse en Europese concurrenten.
Aanvankelijk waren de vooruitzichten positief. De laatste zes jaar trok de economie nog aan omdat Japanse bedrijven weer gingen investeren en de export fors groeide, met name naar China en de Verenigde Staten. ‘Maar de twee grootste aanjagers van de Japanse economie, exporten en bedrijfsinvesteringen, staan nu onder druk’, zegt Hiromichi Shirakawa, hoofdeconoom bij Credit Suisse.
‘Banken zijn minder scheutig met het verlenen van kredieten aan bedrijven. Maar vooral de dalende dollar, duurdere Yen, de afnemende concurrentiekracht van grote Japanse exporteurs én de prijsstijgingen van olie en grondstoffen, bezorgen het Japanse bedrijfsleven op dit moment veel pijn.’
Tel daarbij op de negatieve effecten van een steeds maar dalende Nikkei. Meer dan vijftig procent van de handel op de Japanse beurs wordt bepaald door buitenlandse beleggers die zeer alert zijn op de kwetsbaarheid van de Yen en de gevolgen voor de exportgroei.
Veel institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeraars, houden relatief gezien maar een klein deel van hun portefeuille aan in Japanse aandelen (gemiddeld tussen de 3 en 8 procent). Maar als zij hun gewicht in Japanse aandelen met een paar procent verlagen omdat de Yen duurder wordt, heeft dit een enorme impact op de Nikkei. Dit effect wordt verder versterkt door grote hedgefunds die veel sneller bewegen en altijd proberen om grote beleggers voor te zijn.
Shirakawa: ‘Bovendien lopen de pensioenfondsen van veel Japanse bedrijven harde klappen op, door de dalende Nikkei; sommigen zullen zichzelf opheffen en zelfs overgaan tot uitbetaling aan werknemers zonder rendement. Dat is een slecht signaal naar de Japanse huishoudens die ook nog eens dát deel van hun tegoeden zien verdampen, dat ze op de beurs hebben belegd.’
Het vertrouwen in de economie neemt weer af. Bedrijven zullen niet alleen hun investeringen staken maar ook niet overgaan tot salarisverhogingen. En een toename van de consumentenbestedingen, waar Japan al jaren met smacht op wacht, lijkt uitgesloten.
Maar om de malaise geheel op het conto van de kredietcrisis te schuiven gaat te ver, stelt de Credit Suisse-man. ‘We gaan er vooralsnog van uit dat die crisis van voorbijgaande aard zal zijn. De problemen die echte economische vooruitgang tegengaan in Japan, zitten veel dieper’.

Politiek chaos
De daling van de Nikkei werd medio 2006 al ingezet, toen de hervormingsgezinde Japanse premier Koizumi aftrad omdat zijn ambtstermijn er op zat. Sindsdien is de politiek een chaos. Echte hervormingsplannen worden op de lange baan geschoven. En als een kip zonder kop kondigt de regering maatregelen aan die beleggers verder de kast opjagen, zoals het voornemen om de belasting op aandelendividenden te verhogen van 10 naar 20 procent. Shirakawa: ‘Steeds meer grote buitenlandse beleggers halen gedesillusioneerd hun geld van de Nikkei af.’
Zijn verhaal wordt bevestigd door Eric van der Maarel, Japan specialist en directeur van Robeco Japan. ‘Beleggers zijn zwaar teleurgesteld in de Nikkei waar weer dramatische niveau’s worden behaald. Men ziet maar niets gebeuren.’
Met uitzondering van Japanse multinationals als Toyota, Sony, Nintendo en andere grote exporteurs die zich op de competitieve wereldmarkt begeven en hun bedrijfsvoering hebben aangepast, blinkt het Japanse bedrijfsleven uit in onvermogen om de arbeidsproductiviteit en winstgevendheid te vergroten.
Van der Maarel: ‘het voelt simpelweg de noodzaak niet. In Europa en Amerika wordt het management van slecht renderende bedrijven op het matje geroepen door aandeelhouders die hogere dividenden willen zien. Evenals een beter gebruik van kastegoeden. Maar hier houden de overwegend Japanse aandeelhouders zich koest.’
Veel Japanse bedrijven houden een kwart of een derde van hun totaalbalans aan in kasgeld. Met andere woorden: ze zitten op een berg spaargeld die ze niet laten ‘werken’. De spaarcenten worden niet geïnvesteerd noch uitgekeerd in dividenden maar achter de hand gehouden voor slechtere tijden. Buitenlandse aandeelhouders zijn hier zeer gefrustreerd over.
Van de Maarel: ‘bij 80 à 90 procent van de Japanse bedrijven is het overlevingsinstinct nog niet ontwikkeld, ook al zouden ze inmiddels de hete adem in hun nek moeten voelen van opkomende concurrenten uit China en India. Ik zie veel van die bedrijven het straks afleggen.’
Om de groei van de economie veilig te stellen en minder afhankelijk te zijn van de export, moet de arbeidsproductiviteit in de financiële, dienstverlenende en informatieve sectoren drastisch omhoog, stellen Van der Maarel en Shirakawa.
Deregulerende maatregelen, het toelaten van buitenlandse concurrenten om de markt competitiever te maken en het toestaan van overnames door buitenlandse bedrijven met een effectievere bedrijfsvoering, zijn noodzakelijk.
Shirakawa: ‘Maar de Japanse maatschappij is daar nog niet klaar voor.’ Van de Maarel: ‘de neiging tot isolationisme speelt Japan nog steeds parten. Het vergt een grote flexibiliteit van regelgeving en snelheid van hervormingen, om het geweld dat in China en India is losgebarsten te kunnen pareren. Maar die flexibiliteit en snelheid zitten nu eenmaal niet ingebakken in de Japanse cultuur. Ook zal het Japan de grootste moeite kosten om straks meer buitenlandse werknemers toe te laten, als antwoord op de snelle vergrijzing en een dringende behoefte aan arbeidskrachten. Het is onthutsend hoe reactief Japan is in een ontstellend pro actieve wereld.’
En daar zal niet snel verandering in komen, vreest Shirakawa. Om twee redenen. ‘Japan is een stabiel land met een gunstig sociaal klimaat. Onderhuids spelen er negatieve ontwikkelingen, zoals de toenemende inkomensongelijkheid en de snelle vergrijzing. Maar die problemen zijn nog niet echt aan de oppervlakte gekomen. Niemand voelt dan ook de noodzaak tot ingrijpende veranderingen.’
Daarnaast zijn de belangrijkste spelers in het bedrijfsleven en de politiek nog steeds zeer conservatief. ‘De generatie 55-plussers is hier aan de macht. Anciënniteit betekent hier alles,’ aldus Shirakawa.
‘De voormalige premier Shinzo Abe was 52 jaar en werd beschouwd als een baby. De huidige premier Fukuda is 72. De meer hervormingsgezinde generatie veertigers en begin vijftigers, is helaas pas over vijf à tien jaar aan de beurt.’
Van de Maarel vreest dat Japan de komende decennia dreigt te degraderen tot louter een consumptiemaatschappij. Shirakawa vergelijkt zijn land mismoedig met een pan vol kikkers in warm water. ‘Als de kikkers eindelijk voelen wat er aan de hand is en uit het water willen springen, kookt het al en is het te laat.’