Elsevier; Sprong in het verleden; 31 mei 2008

De Hollandsche begraafplaats en het gerestaureerde handelseiland Decima maken de bewogen historie van de Japanse stad Nagasaki tastbaar. Hollanders speelden daarin een belangrijke rol.

Hendrik de Wijn was gezagvoerder van het Nederlandse koopvaardijschip Willem en Clara, dat in 1856 uit Batavia vertrok om specerijen naar Japan te vervoeren. Hij zou nooit meer voet aan wal zetten. Hij werd ziek en overleed op 8 januari 1857 aan boord van zijn schip.
Ruim een jaar later strandde De Cadsandria voor de kust van Nagasaki. Een van de opvarenden, Anna Maria Fischer, werd in allerijl naar het handelseiland Decima gebracht waar zij alsnog overleed aan de gevolgen van de schipbreuk. Ze was 22 jaar.
Wijn en Fischer zijn begraven in Nagasaki, in de tuin van de Goshinji-tempel. Tussen Japanse boeddhistische zerken: duizenden zuiltjes die bijna boven op elkaar zijn geplaatst om ruimte te besparen, ligt een verwaarloosd, ommuurd grasveldje. Boven de roestige, ijzeren toegangspoort zijn nog net de woorden ‘Hollandsche Begraafplaats’ te lezen.
De pakweg vijfentwintig grafstenen zijn weliswaar overwoekerd met onkruid en mos maar de meeste opschriften, in het Oud Hollands, zijn nog niet vergaan. Vooral het zerkje van Emma Verbeck, die in 1860 werd geboren en slechts 10 dagen leefde, ontroert. Maar ook het graf ‘Ter nagedachtenis van het hier rustende gebeente van Wijlen Den Weledelen Achtbaaren Heer Hendrik Godfried Duurkoop’. Ook hij zou Japan nooit aanschouwen want hij overleed aan boord van het schip Thuys Tespijk.
De Wijn, Fischer, Verbeck en Duurkoop kregen tenminste nog een laatste rustplaats. Nederlanders die hen voor gingen in de dood, moesten met een steen om hun hals direct in zee worden gegooid omdat ‘een christelijk lijk de aarde onwaardig was’. Dat was althans de mening van de Japanse machthebber, de shogun, die het christendom vervloekte.
Daarmee viel niet te spotten. De Portugezen werden in 1639 verbannen uit Japan omdat de verspreiding van het christendom een bedreiging vormde voor de macht van de shogun. Toch stuurden ze in 1640 alsnog een schip met handelswaar naar het land. Met vreselijke gevolgen.
De hele bemanning werd op het strand in Nagasaki onthoofd. ‘Een en zestig Portugeesche hoofden stonden daar tentoongesteld; slechte een der schepelingen liet men in leven ten einde een waarschuwing naar Macao over te brengen,’ schreef de journalist Kalff begin vorige eeuw in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift.
In de haven van Nagasaki, niet ver van de begraafplaats, lag het waaiervormige eiland Decima dat alleen met een brug was verbonden met het vasteland. Tijdens de sakoku - de periode van isolatie in Japan (1641-1853)- werd er nog voornamelijk handel gedreven met de Nederlanders, die alleen op Decima mochten wonen. En in mindere mate met Chinezen die een eigen eiland toegewezen kregen. Decima werd echter beschouwd als hét ‘open raam’ dat een blik bood op de buitenwereld.
Masatoshi Yamashita is directeur van het Decima Restauratie Project en gespecialiseerd in de historie van het eiland. ‘Het werd gebouwd door 25 vooraanstaande Japanse handelslieden die er ook pakhuizen en bovenwoningen hadden neergezet. Ze lieten de Nederlanders een flinke huur betalen van omgerekend 600 duizend euro per jaar. Maar de handel bleek zo lucratief dat ze dat er graag voor over hadden. Ook toen er nog maar twee schepen per jaar aan land mochten komen.’
De Nederlanders brachten zijde, hout, huiden, lakwerk, suiker, medicijnen, vlees en specerijen naar Japan en vertrokken met ladingen goud, zilver en koper.
Ze moesten zich aan strikte regels houden. Ze mochten het eiland onder geen beding verlaten en eenmaal per jaar mocht alleen het ‘opperhoofd’, de hoogste man, afreizen naar het hof in Edo (Tokio) om de shogun geschenken te brengen en hem op de hoogte te stellen van het wereldnieuws. De mannen verbouwden hun eigen groentes en hielden vee. Vrouwen en kinderen moesten in Nederland blijven.
Uitzondering op deze regel was Titia Bergsma, die haar man Cock Blomhoff in 1817 op een officiële missie vergezelde. Ze maakte met haar westerse uiterlijk en empirejurken zoveel indruk dat ze veelvuldig werd geportretteerd door hofschilders in Nagasaki en nog steeds te zien is op vele gebruiksvoorwerpen. Toch werd ze naar een paar maanden naar huis gestuurd.
Het strenge regime leverde de Hollanders de bijnaam Fitositsch op: gijzelaars. Toch blijkt uit prenten uit die tijd dat het leven op Decima allesbehalve saai was. Niet in de laatste plaats omdat er vele Japanse bediendes en courtisanes op het eiland werden toegelaten, ook om de buitenlandse bezoekers te bespioneren.
Tussen de bedrijven door musiceerde en biljartte de mannen volop. En tijdens Oud en Nieuw en kerst, dat winter solstice werd genoemd om iedere verwijzing naar het christdendom te vermijden, werden uitbundige diners gegeven de prachtige eetzaal.
Ook vooraanstaande Japanse handelaren mochten zich laven aan drank en spijzen in overvloed, geserveerd door lieftallige courtisane’s die optredens gaven en de heren ook ‘s nachts vermaakten.
Deze liaisons zorgden voor de nodige drama’s. ‘Er bestaan verhalen van wanhopige mannen die zelfmoord pleegden omdat ze terug naar huis moesten maar niet meer zonder hun courtisanes konden. Of omdat ze door de vrouwen werden verlaten,’ vertelt Yamashita.
Er werden ook kinderen op het eiland geboren. Dat is te zien op een prent van twee Hollandse mannen op de uitkijkpost, in gezelschap van een Japanse vrouw met een blonde baby op haar rug.
Tijdens de periode van isolatie was het streng verboden voor Japanners om naar het buitenland te reizen. De kinderen van Decima, die tot hun zevende levensjaar op het eiland mochten blijven, konden uiteindelijk alleen maar terecht op het Japanse vasteland.
‘Daar was ze vaak een tragisch lot beschoren omdat ze als vreemdelingen werden beschouwd,’ vervolgt Yamashita. ‘Een Nederlandse kapitein heeft ooit de magistraat van Nagasaki proberen om te kopen met zakken suiker, in ruil voor de garantie dat deze bestuurder de toekomst van zijn kind veilig zou stellen en hem een baan zou geven. Maar dat was heel ongebruikelijk.’
Rond 1750 ontstond er onder de Japanse intelligentsia een enorme belangstelling voor de westerse cultuur. Nederlanders werden verzocht hun kennis over te dragen op het gebied van wetenschap, techniek, cartografie en geneeskunde en uiteindelijk mochten ook Japanners die niet behoorden tot het college van tolken, Nederlandse boeken lezen.
De artsen op Decima, waaronder veel Duitsers, begonnen steeds meer Japanse patiënten te behandelen die in grote getale kwamen toegestroomd. Yamashita: ‘Dat had allemaal een enorme invloed op de ontwikkeling van Japan.’
Onder druk van de intelligentsia liet de shogun de teugels vieren. Ook werd het de Nederlanders in 1654 eindelijk toegestaan hun doden te begraven. Op Decima zelf was daar echter geen plaats meer voor, daarom week men uit naar de tuin van de Goshinji-tempel.
Pas in 1853 kwam er een einde aan de unieke positie en het handelmonopolie van de Nederlanders en de Chinezen, toen de Commodore Matthew Perry - opperbevelhebber van de Amerikaanse marine - met zijn zwarte vloot de haven van Uraga binnen zeilde. Met een kanonnenoffensief dwong hij de shogun tot openstelling van het land. Na de ondertekening van een handelsovereenkomst volgden de Engelsen, Russen en Fransen spoedig.

De Nederlanders sloten de handelsgebouwen en maakten van het hoofdgebouw een consulaat. Uiteindelijk werd het eiland opgeslokt door het uitdijende Nagasaki, dat de meest bruisende havenstad van Japan werd met Chinese, Nederlandse, Portugese, Engelse en Amerikaanse invloeden.
Op 9 augustus 1945 verwoestte de atoombom echter grote delen van de stad. ‘Little boy’(Hiroshima) en ‘Fatman’ (Nagasaki), moesten de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog tot overgave dwingen. Tijdens de wederopbouw ontstond het besef dat niet alleen nieuwbouw, maar ook de rijke geschiedenis de gehavende plaats kon laten herleven.
En daarom werd het stuk grond dat ooit Decima was geweest, aangekocht door de stad. Dankzij een ambitieus restauratieproject dat velen miljoenen heeft gekost, is Decima nu uit de as herrezen. Door exact dezelfde straat die op zoveel prenten staat, met de pakhuizen aan de linkerkant en het prachtige pand van het opperhoofd aan de rechterkant, struinen nu groepen Japanse schoolkinderen en toeristen.
Pronkstuk is het huis van het opperhoofd dat ook van binnen in oude glorie is hersteld, met de hulp van kunsthistorici van de Universiteit van Leiden.
Zelfs het behang is bijna identiek aan dat van vroeger. Oud Hollandse stoelen en tafels staan langs de muren, waaraan prenten hangen van steden en zeeslagen. Op het bureau in de werkkamer prijken potjes inkt en schrijfveren en er hangen gordijnen van velours. Op de asbakken liggen stenen pijpen en het lijkt net of het opperhoofd ieder moment kan binnenlopen.
De eetkamer heeft prachtige kasten en kroonluchters. De lange tafel, waarop gebraden zwijntjes en kippen in grote schalen zijn opgediend, is gedekt met een Hollands servies en tafelzilver. Om het allemaal nóg echter te doen lijken klinken op de achtergrond het geroezemoes van Nederlandse stemmen.
Vanaf de grote balustrade zijn de toppen te zien van grote viermasters die net de haven binnen zijn gevaren in het kader van ‘ Sail Nagasaki 2008’. Wie hier zijn ogen een beetje dichtknijpt en de moderne gebouwen buitensluit, maakt een sprong in het verleden en voelt de historie herleven.