AD Magazine; reportage Nepal; Het goede doel: geen kiespijn; 19 juni 2004

De hulpverlening ondergaat een metamorfose. Steeds meer mensen maken niet langer klakkeloos een bedrag over naar een anonieme organisatie, maar willen zelf betrokken zijn bij hulpprojecten.

Hoe primitief de leefomstandigheden ook zijn - het gros van de Nepalese boerenbevolking woont in een lemen huis zonder water, gas en elektra -, het communicatiesysteem op het platteland werkt uitstekend. De Nederlandse tandartsen hebben hun 'noodpraktijk' nog niet opgeslagen of het grasveld stroomt vol met honderden mensen. Roerloos wachten ze uren in de felle zon op hun beurt. Ondanks de vaak bloedige taferelen is weglopen geen optie. Het verlangen verlost te worden van de pijn is groter dan de angst voor de behandeling.
'Voor mij komt alles hier samen', zegt Ingeborg van den Eijnden, die twee jaar geleden afstudeerde. 'Een reis naar een bijzonder land, mensen direct helpen, interessante gevallen behandelen en veel ervaring opdoen op het gebied van extracties.' Van den Eijnden en de rest van de Nederlandse crew zijn representatief voor een groeiende groep mensen die - naast het bevredigen van hun eigen interesses - ook iets tastbaars wil doen voor een goed project. 'Er is een duidelijke beweging van chequeboekhulp naar immateriële dienstverlening', constateert Theo Schuyt, bijzonder hoogleraar filantropie aan de Vrije Universiteit.
Deels hebben de gevestigde goede doelen dat aan zichzelf te danken. Decennia lang konden ze zich verschuilen achter het arrogante trust us-principe: 'Wij weten precies waaraan uw gift moet worden besteed. Vertrouw maar op ons'. Maar de laatste jaren waren er iets te veel schandaaltjes over geld dat niet op de plaats van bestemming terechtkwam, bestuurders die exorbitante salarissen verdienden en donaties die werden belegd in verlieslijdende fondsen op de beurs. Donateurs eisen nu meer transparantie en vinden dat goede doelen verantwoording moeten afleggen over hun daden (de 'show-me' en 'tell-me'- principes). En steeds meer mensen nemen liever het heft in eigen handen. Schuyt: 'Je ziet het ook in het bedrijfsleven. Steeds meer ondernemers willen hun kennis inbrengen in een hulporganisatie die ze zelf opzetten en die vooral is gericht op een social return on investment'. Ook is het een trend dat grote bedrijven, zoals Abn-Amro, KPMG en TPG, hun werknemers de mogelijkheid bieden een deel van hun werkzame tijd te spenderen aan vrijwilligerswerk. Ze krijgen gewoon doorbetaald. Bedrijven krijgen er een goede naam door en de betreffende werknemers zijn positiever en productiever dan hun collega's, luidt de conclusie van een recent onderzoek van Schuyt en zijn collega Breedijk. 'Uit alles blijkt dat mensen zélf betrokken willen worden bij zaken die ze echt raken.'
Dat geldt bijvoorbeeld ook voor onder nemer Michiel de Haan (56), die in 2000 terug trad als directeur van de succesvolle investeringsmaatschappij Atlas en zich nu in verschillende filantropische avonturen stort. Hij voert nog een argument aan voor zijn carrière switch: 'Als ik kijk naar de ontwikkelingssamenwerking in bijvoorbeeld Afrika, dan moet ik helaas concluderen dat er de afgelopen dertig jaar - met uitzondering van vorderingen die zijn gemaakt op het gebied van onderwijs - nauwelijks iets is verbeterd. Dat irriteert me enorm.' Zelf investeert hij in een nieuw vliegtuig voor de Flying Medical Services in Tanzania en in een ziekenhuis in hetzelfde land. Daarnaast richtte hij onlangs de European Venture Philantrophy-vereniging op. Die zal ook in ontwikkelingslanden het zo schaarse middellange-termijnkapitaal verstrekken, aan projecten die kunnen uitgroeien tot bedrijven die zichzelf kunnen bedruipen en welvaart genereren voor hun omgeving. 'We schenken straks dus niet die ene waterpomp, maar financieren liever een fabriek die ze op grote schaal maakt en werkgelegenheid biedt aan vijfhonderd man. Die fabriek mag de eerste jaren aanloopverliezen maken.'
De Haan is aangenaam verrast door de positieve reacties die hij krijgt op zijn initiatief, ook vanuit de raden van bestuur en raden van commissarissen van grote bedrijven. 'Er ligt, ook in Nederland, nog heel veel geld te wachten op een goede bestemming. Maar bedrijven en donoren willen meer vat krijgen op de projecten waaraan het wordt besteed en verlangen dat er echt beweging in de zaak komt.' Ook uit eigen kring krijgt De Haan veel bijval van vrienden en kennissen die vooral zelf, in natura, willen bijdragen.

De Friese tandarts Pim Bink (64) ontdekte jaren geleden al dat het nauwelijks moeite kost om - letterlijk - veel mensen op de been te krijgen voor een speciale missie. Zelfs niet als ze er ook nog voor moeten betalen. Omdat hij als een blok viel voor Nepal en de arme bevolking, en directe hulp wilde bieden, richtte hij de Nepal Oral Health Society the Netherlands (nohs) op. Onder de vlag van de nohs reizen sinds 1996 - tweemaal per jaar - tientallen Nederlandse tandartsen, studenten, assistentes en mondhygiënistes naar de binnenlanden van de bergstaat om er duizenden kiezen te trekken. Daarnaast wil Bink structurele hulp bieden en Nepalezen opleiden die permanent moeten gaan werken in de afgelegen gebieden. Vooral de goed opgeleide Nepalese 'Community Medical Assistants' zijn daarvoor geschikt. Een instructieboek in het Engels ligt al klaar. Ook is er een examen ontwikkeld. 'Maar we moeten toestemming krijgen van de regering en dat is een groot struikelblok. Vanwege de chaotische politieke situatie in het land weet niemand bij wie we op dit moment moeten aankloppen.'
Vanuit een eenvoudige hotelkamer in de Nepalese hoofdstad Kathmandu treft Bink alle voorbereidingen voor het eerste dentalcamp van dit jaar waaraan 27 mensen deelnemen. De reis- en verblijfkosten betalen ze uit eigen zak. Het materiaal ter waarde van zo'n zevenduizend euro, wordt gefinancierd met donaties van clubs als Rotary en Lions. Bink legt uit waarom er behoefte is aan dit initiatief. 'Buiten Kathmandu bestaat nauwelijks tandheelkundige hulp. Nepalese tand artsen openen liever een goed lopende privé-kliniek in de stad dan zich in dienst te stellen van de arme mensen op het platteland. En de weinige hulpposten die er bestaan, zijn voor de meeste Nepalezen mijlenver weg en niet uitnodigend. Verdoving is er namelijk niet vanzelfsprekend.'

Eén groep gaat werken in de omgeving van de provinciestad Hetauda. Een andere groep vertrekt naar de zeer afgelegen Kumarischool, die is opgericht door de Nederlandse Trees van Rijsewijk en onderdak biedt aan zo'n honderdtwintig wezen. Tot op het laatste moment was het onzeker of de missies konden doorgaan. Want de maoïstische rebellen - die al acht jaar strijd voeren tegen de Nepalese monarchie én de politieke partijen die uitblinken in bestuurlijk onvermogen - kondigden onlangs in dertien provincies wegblokkades af. Die worden met grof geweld in stand gehouden. Voor het eerst vliegen de ploegen dus naar het zuiden. Wat de transfer van het vliegveld Bharadpur naar de Kumarischool betreft, gokken de tand artsen erop dat een bus vol blanken met een groot spandoek met de tekst Oral Health Camp de maoïsten gunstig zal stemmen.
De tocht voert langs haastig opgezette militaire kampen, verschillende roadblocks met soldaten die elk voertuig controleren, en uitgebrande karkassen van passagiersbussen die zijn overvallen door de rebellen. Toch weerhoudt de gespannen situatie de lokale bevolking er niet van massaal toe te stromen.
De volgende dag liggen honderden tangen, handschoenen, mondkapjes en bergen met watten uitgestald op de veranda. Eén tandarts velt het vonnis: trekken of alleen schoonmaken. Daarna wordt de patiënt verdoofd. Sommige kinderen die nog nooit een blanke hebben gezien, laat staan ooit naar de tandarts zijn geweest, raken in paniek. 'Af en toe voel ik me net een beul', bekent Celeste van Heumen. 'Eerst probeer ik die kinderen op hun gemak te stellen en lach ik naar ze en vervolgens jens ik toch een naald in hun tandvlees. Ik kan niet eens zeggen 'daar komt-ie!'.' De patiënten nemen plaats op eenvoudige houten stoelen en dan begint het echte werk. Niks porseleinen inlays of bruggen of andere reddingsoperaties. Alles wat rot en vooral pijnlijk is, gaat er zonder pardon uit. Urenlang is de veranda het toneel van tegenstribbelende kinderen, zwoegende tandartsen en assistentes en Nepalezen die - met verbeten gezichten - alles ondergaan zonder ook maar een kik te geven. Hoe pijnlijk een behandeling ondanks de verdoving ook kan zijn.

Alles passeert de revue: kinderen met bruine, rotte voortandjes, waarachter de echte voortanden al zijn doorgekomen, oude broodmagere vrouwen die nauwelijks nog wat in hun mond hebben en een man waarvan het gebit volledig is verdwenen onder een dikke, bruine laag smurrie: een extreme vorm van tandsteen. De mondhygiënistes - die op houten tafels zitten en de hoofden van de patiënten tussen hun benen geklemd houden - zijn zeker een uur met hem bezig en trots op het resultaat: de man heeft opeens weer een ondergebit. 'We zijn wat gewend bij patiënten in Nederland die angst hebben voor de tandarts en hun gebit nooit hebben onderhouden. Maar dit slaat alles', zegt mondhygiëniste Liesbeth Clerx.
Het ruikt naar bloed en ontsmettingsmiddel en overal klinkt het geluid van krakende kiezen en het gekletter van de gebruikte tangen op presenteerblaadjes. Een soort snelkookpan dient als sterilisatieapparaat. 'We doen hier rauw werk', stelt Henk Kinders. 'Aan de lopende band kiezen trekken is niet bepaald een hogere vorm van tandheelkunde. Ik noem het dan ook liever eerste hulp verlenen.' Eigenlijk is het heel triest dat je daarvoor hele maal uit Nederland moet komen, constateert Kinders. De Nepalese overheid is niet in staat om op het terrein van de gezondheidszorg ook maar íets te betekenen voor de bevolking op het platteland. 'Vorig jaar reisde er ook een groep vrouwenartsen met ons mee. Vrijwel alle vrouwen die ze onderzochten, hadden ernstige bloed armoede. En ze kwamen afschuwelijke aandoeningen tegen - ook veel vormen van kanker - waaraan ze niets konden doen. Zij gingen veel somberder naar huis dan wij.'

De behandelde patiënten worden gecheckt op nabloedingen en krijgen pijnstillers mee. Of anti iotica. Zo is het rottingsproces in de mond bij een vrouw zo vergevorderd, dat niet alleen een kies los laat maar ook een deel van het tandvlees. De wond wordt gehecht. Kinderen krijgen cadeautjes: een pen, een tandenborstel, een ballon en een duikbril die ze meteen opzetten. Naarmate de dag verstrijkt, komen er meer mensen bij. Zelfs in het schemerdonker werken de Nederlanders door om niemand teleur te hoeven stellen. Met behulp van hoofdlampen die veelal worden gebruikt door bergbeklimmers. Pas om een uur of acht 's avonds, bij een voedzaam avondmaal van kool, linzen en rijst, is er tijd voor ontspanning. Voldaan zegt tandarts Gerard van Wijk: 'Je kunt hier keihard doorwerken zonder te worden gestoord door gezeur over rekeningen en verzekeringen. En de mensen zijn een stuk flinker dan in Nederland.'
Het gastenverblijf bij het kindertehuis is sober. Iedereen slaapt in één grote ruimte, op harde houten bedden. De wc is een stinkend gat in de grond en de douche een bedompt betonnen hok. Na negenen is er elektriciteit noch warm water. 'En dan durven mensen in Nederland nog te zeggen dat we een leuk snoep-reisje maken', grinnikt Van Wijk.
De tweede en derde dag slaat de ploeg de 'noodpraktijk' op in nabijgelegen dorpen waar de Nederlanders met open armen worden ontvangen en opnieuw honderden mensen toestromen. Als het werk er na zes dagen op zit, hebben beide groepen volgens Kinders zo'n 2400 patiënten behandeld en evenzoveel kiezen en tanden getrokken. Maar je zult hem er niet over horen opscheppen. 'Ik doe dit werk om er een goed gevoel aan over te houden', zegt hij nuchter. 'En dat er mensen zijn die daarvan kunnen profiteren, is mooi meegenomen.'

Voor meer informatie: www.nohs.nl

Kaders:

Kinderen van Sikkim

In 2001 wilde Jannie Langbroek (59), toen hoofd aankoop buitenlandse films van de VPRO, voor langere tijd weg. Maar ze vond het niet bevredigend om alleen de toerist uit te hangen. 'Ik wilde vrijwilligerswerk doen. Maar wél op een verantwoorde manier. Ooit was ik in Burkina Fasso, een Afrikaans land dat volledig drijft op buitenlandse steun. Daar zie je steeds fourwheeldrives langs komen van grote hulporganisaties, met jonge mensen. Ze vertellen je dat ze wel in een huis met een zwemband móeten wonen, omdat ze anders niet serieus worden genomen door de lokale bevolking. Dat klopt in mijn ogen dus niet.' Langbroek belandde uiteindelijk in de Indiase bergprovincie Sikkim, waar ze zes weken Engelse les gaf op een lagere school. De monnik die er de scepter zwaaide had losse handjes. Vrijwilligers overtuigden de kinderen ervan dat ze niet alles hoefden te pikken en een opstand was het gevolg. Samen met de Nederlandse Hedwig Bakker besloot Langbroek zélf een school op te richten. Daar op zitten inmiddels vijftig kinderen in vijf afzonderlijke klassen, zodat ze veel aandacht krijgen. Vier lokale krachten en een netwerk van vrijwilligers runnen de school. De helft van de kinderen verblijft er intern. De stichting Kinderen van Sikkim regelt de financiering middels giften van vrienden en kennissen. Deze zomer gaat Langbroek voor de vierde keer lesgeven. Wat levert dat haar persoonlijk op? 'Ik vind dat mensen hun bezit en hun kennis moeten delen. In Sikkim merk ik pas echt hoe rijk ik ben en besef ik dat ik niet onverantwoordelijk met m'n geld moet omgaan. Van één taxirit in Nederland kan een kind in Sikkim een maand leven.'

www.sikkim.nl

Mercy Ships

De IC-verpleegkundige Maaike Kamp (34) vertrok anderhalf jaar geleden naar Sierra Leone om er twee maanden aan boord te gaan van het ziekenhuisschip Anastasis, van de christelijke hulporganisatie Mercy Ships. 'Ik wilde de sleur doorbreken en een keer werken in een derde wereldland waar echt aan alles behoefte is.' In Sierra Leone woedde jarenlang een burgeroorlog waarin geen wreedheid werd geschuwd. Het verminken van mensen - vooral het afhakken van ledematen - was een beproefd middel om elke vorm van verzet in de kiem te smoren. De Anastasis bood verminkte mensen de mogelijkheid een aantal operaties te ondergaan. Er waren specialisten aan boord op het gebied van plastische chirurgie voor het hoofd- en halsgebied en reconstructies na brandwonden, staar- en schildklier operaties en hazenlip-correcties. 'Maar ook tandartsen en vakmensen die verwoeste huizen herstelden gingen mee', memoreert Kamp. 'De meeste bemanningsleden hadden een christelijke achtergrond, net zoals ikzelf, maar dat was geen voorwaarde om mee te varen.'
Kamp, die zelf haar reis- en verblijfkosten betaalde, werkte op de verpleegafdeling. 'Veel mensen met verminkingen aan hoofd en hals zijn zo getekend dat ze worden uitgestoten door de maatschappij. Een tamelijk overzichtelijke operatie zorgt ervoor dat ze toonbaar zijn en weer kunnen meedraaien'. Wat de meeste indruk op me maakte? 'Vrouwen die na een zware bevalling last hadden gekregen van fistels (open zweren, red.) die incontinentie veroorzaakten. Ze worden uitgestoten door hun families, krijgen geen werk en wonen uit schaamte vaak buiten het dorp. Het is vaak goed mogelijk om dat te opereren. Die vrouwen waren zo blij na zo'n behandeling. Alsof ze een nieuw leven kregen.' Wat leverde de ervaring Kamp persoonlijk op? 'Ik kan nu veel beter inschatten hoe hard het bestaan in een derdewereldland is, en beelden van gevechten of grote problemen daar gaan niet meer langs me heen. Het was heel leerzaam en ik ga zeker ooit weer werken als vrijwilliger.'

www.mercyships.nl

Niños-hotel

Een half jaar na een overweldigende vakantie in het straatarme Peru keerde computerdeskundige Jolanda van den Berg (39) in 1996 terug naar het land. Voor altijd. Haar missie: de straatkinderen van Cusco helpen. Ze sprak geen Spaans en had niets geregeld. Maar binnen de kortste keren had ze een huis en trok er maandelijks een nieuw straatkind bij haar in. Ieder kind had zijn eigen historie van honger, geweld en verwaarlozing. Toch functioneerde het bijeengeraapte gezin wonderwel en na anderhalf jaar voegde Jolanda's geliefde Titus Bovenberg - reclameman - zich bij de twaalf jongens en zijn vriendin. Ze leefden van donaties uit Nederland.
De stad Cusco is het toeristische centrum van Peru en de familie vatte het plan op er een kinderhotel te beginnen. Een Nederlandse geldschieter maakte het eerste niños-hotel mogelijk, dat meteen een doorslaand succes werd. Daar op opende de familie een niños-restaurant, waar kinderen uit de buurt die het ergst verwaarloosd zijn, elke dag een maaltijd krijgen, zich kunnen wassen en jaarlijks worden onderzocht door een arts en tandarts. Maar daarbij bleef het niet. Inmiddels omvat het 'imperium' van de ondernemers twee niños-hotels en twee niños-restaurants waar inmiddels zo'n 250 kinderen dagelijks terecht kunnen en hebben ze naast hun eigen gezin nóg twee pleeggezinnen opgericht. Hoe reageert de omgeving? Bovenberg: 'Een aantal ouders is blij maar veel ouders zijn zo verloederd dat ze bij het onderbrengen van hun kind alleen maar denken: 'mooi, da's weer een zorg minder'. Een aantal mensen weet ook zeker dat we eigenlijk miljonairs zijn en de niños-hotels en -restaurants alleen maar gebruiken als dekmantel voor andere praktijken.' Wat betekenen de projecten voor hem persoonlijk? 'Alles is zo in een stroomversnelling geraakt en als een lawine over ons heen gekomen, dat we nog niet de tijd hebben gehad daar eens goed over na te denken.'

www.ninoshotel.com