Elsevier; China-Amerika: woede is even gezakt; 8 april 2010

De Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad en zijn ayatollahs blijken, onbedoeld, goede matchmakers te zijn. Want het dreigend gevaar uit Iran, dat zijn nucleaire ambities niet wil opgeven ondanks forse internationale druk, drijft China en Amerika weer in elkaars armen. Juist op het moment dat de twee grootmachten, over en weer, flink met modder gooien.
Vorige week donderdag kondigde de Chinese president Hu Jintao opeens aan dat hij half april zélf de nucleaire veiligheidstop in Washington wil bijwonen. Ook lieten de Chinezen doorschijnen dat ze tóch willen meepraten over de ontwerpresolutie voor nieuwe sancties, ten aanzien van Iran. Terwijl ze eerder tegen nieuwe maatregelen waren.
De Amerikaanse president Barack Obama reageerde aangenaam verrast, want de Chinese steun is nodig om Iran weer aan de onderhandelingstafel te dwingen. En afgelopen vrijdag voerde hij spontaan een constructief telefoongesprek met collega Hu, dat zeker een uur duurde.
China’s woede over de recente Amerikaanse wapenverkoop aan de ‘afvallige provincie Taiwan’, en over het bezoek in februari aan het Witte Huis van de Dalai Lama (de Tibetaanse geestelijk leider in ballingschap), lijkt te zijn gekoeld. Althans, voor even.
En om ook water bij de wijn te doen heeft de Amerikaanse regering, aan de vooravond van de nucleaire veiligheidstop, besloten om de publicatie uit te stellen van een rapport van de US Treasury Department. Daarin zou China worden aangemerkt als ‘koersmanipulator’ omdat het land de waarde van de yuan kunstmatig laag en constant houdt ten aanzien van de dollar, om de export niet in gevaar te brengen.
De voorzichtige verzoening is hoopvol, maar zal ze stand houden?
Tijdens het bewuste telefoongesprek heeft Hu er geen misverstand over laten bestaan: bemoeienissen met de ‘Een-China Politiek’ zijn een aantasting van China’s soevereiniteit. En onacceptabel. De verhouding tussen China en Amerika zal dan ook afhangen van de manier waarop Obama in de toekomst weet om te gaan met de kwesties Tibet en Taiwan.
Obama, op zijn beurt, moet een paar flinke noten kraken met Peking. De president voelt de hete adem in de nek van ruim honderd Amerikaanse senatoren, die vinden dat de lage yuan een vorm van oneerlijke concurrentie is. De Chinese producten blijven immers spotgoedkoop, en dat schaadt het Amerikaanse bedrijfsleven. Ze eisen zelfs importheffingen op Chinese goederen als de yuan niet wordt opgewaardeerd.
Ze zijn ervan overtuigd dat de waardetoename van de yuan zal zorgen voor een daling van de Chinese export en een stijging van importen uit Amerika. Waardoor de werkgelegenheid zal toenemen. En daar snakken de Amerikanen naar want het hoge werkloosheidscijfer is hun grootste zorg.
Met de tussentijdse verkiezingen in aantocht, staat Obama dan ook onder grote druk om op korte termijn meer werkgelegenheid te creëren en het ‘Chinese probleem’ aan te pakken.
Maar in China hoeft hij niet te rekenen op begrip. De Chinese media staan bol van verontwaardigde artikelen over het ‘onterechte verwijt’ van de Amerikanen dat hun malaise de schuld is van de yuan.
Volgens experts is de waarde van de yuan sinds 2005 wel degelijk gestegen, maar heeft dat geen invloed gehad op de handelsstromen. Het Chinese handelsoverschot met Amerika bleef stijgen.
Bovendien, betogen ze, heeft Amerika al eens eerder ongelijk gekregen toen Washington de Japanners in 1980 dwongen om de yen op te waarderen. Omdat het Amerikaanse handelstekort met Japan te groot werd. De ingreep had geen effect op de handelsstromen. Maar veroorzaakte wél veel schade in Japan.
‘Niet de waarde van de yuan maar de destructieve structuur van de Amerikaanse economie is de oorzaak van het handelstekort met China,’ stelt Xia Bin, econoom en adviseur van de Chinese Staatsraad. ‘Het lage spaarniveau van de Amerikanen, de hoge consumptie en het overplaatsen van veel productie naar lageloonlanden, vormen het probleem. Bovendien heeft Amerika zelf zijn meest waardevolle exportproducten, vooral hoogwaardige technologie, aan banden gelegd. Met als gevolg dat China die nu uit andere landen haalt.’
Opwaardering van de yuan zal volgens de Chinezen vooral de Amerikanen raken met lage inkomens, die het meest profiteren van de goedkope Chinese producten (voornamelijk kleding, schoeisel, speelgoed, meubels en elektronica). Uit een onderzoek van Morgan Stanley zou blijken dat de goedkope importen uit China, de Amerikaanse huishoudens in 2009 ruim 100 miljard dollar hebben bespaard.
Amerikanen zullen dan ook eerder geneigd zijn goedkope producten uit andere lageloonlanden te halen, als China te duur wordt. In plaats van uit Amerika.
China zal de yuan alleen opwaarderen als dat in het belang is van het land zelf. Het zal zich onder geen beding laten dicteren door anderen, is de boodschap uit Peking.
Voorlopig kan Obama zich dus beter concentreren op de kwestie Iran, wil hij Hu Jintao niet weer tegen zich in het harnas jagen. Maar er schuilt een addertje onder het gras.
China heeft grote investeringen in Iraanse olievelden. Westerse commentatoren vragen zich dan ook af wat de intenties zijn, tijdens onderhandelingen over nieuwe sancties tegen Teheran. Zullen de Chinezen constructief meewerken en zich er achter scharen? Of zullen ze vooral proberen om de schade voor Iran zoveel mogelijk te beperken?

Kader
Amerika verdient miljarden aan China

 In 2008 was China het derde grootste land wat betreft importen uit de Verenigde Staten
 Van 2001 tot 2009 is de export van Amerika naar China toegenomen met 262,8 procent
 In 2009 heeft China voor 14 miljard dollar aan Amerikaanse landbouwproducten ingevoerd. Dat is vijf keer zoveel als in 2001
 Amerikaanse investeerders hebben inmiddels in zo’n dertigduizend bedrijven in China geïnvesteerd. Volgens de Amerikaanse Kamer van Koophandel in China maakte 74 procent daarvan winst in 2008.
 China is nog steeds een assemblageland en krijgt maar een klein deel van de opbrengsten van de productie. Een voorbeeld uit het weekblad The Economist: een iPod met het ‘made in China’-label wordt in de Verenigde Staten verkocht voor 299 dollar. De fabriek in China verdient daarop 4 dollar, terwijl 160 dollar naar Amerikaanse bedrijven vloeit.