Vrij Nederland; De stad van Olie

Met zijn zelfgebouwde camera stond hij in dakgoten, beklom kerktorens en hing met ingenieuze constructies uit ramen. Jacob Olie fotografeerde het snel groeiende Amsterdam van rond de vorige eeuwwisseling. Het Gemeentearchief wijdt de komende maanden een overzichtstentoonstelling aan zijn werk. Fenneken Veldkamp en Joan Veldkamp over leven en werk van hun betovergrootvader.

De bewoners van de Amsterdamse Zandhoek waren rond 1860 getuige van vreemde gebeurtenissen. Jacob Olie, in de buurt bekend als timmerman en leraar op de ambachtsschool, sjouwde over straat met een houten kist. Soms hield hij stil en vroeg voorbijgangers om er lange tijd voor te gaan staan. Met de natte glasplaten die hij daaruit haalde, snelde hij naar huis. In zijn bedstee maakte hij er afbeeldingen van die gedetailleerder en scherper waren dan ze ooit op een tekening hadden gezien.
Fotograferen was toen nog één groot experiment. Een amateurfotograaf was aangewezen op eigen inventiviteit. Maar ondanks de primitieve materialen en de begrensde mogelijkheden, stortte Olie zich al meteen gepassioneerd op deze nieuwe kunstvorm. Dat blijkt ook uit een klein zakboekje waarin hij vanaf 1859 recepten voor het ontwikkelen van foto's overschreef uit tijdschriften. Op de kaft van het boekje is een zorgvuldig uitgeknipt hartje geplakt. Daarin staat met sierlijke letters het woord 'Photografie' geschreven.

De Zandhoek, op het Realeneiland, is nu een straatje met monumentale panden die uitkijken op het IJ. Maar toen Olie nog op nummer 10 woonde, het huis dat zijn familie al generaties lang bezat, maakte de Zandhoek deel uit van een haven- en industriewijk waar zeeschepen werden gebouwd en opgeknapt en overzeese lading werd gelost. De levendige buurt waarin arm en rijk naast elkaar woonde en werkte, bood hem de eerste jaren voldoende inspiratie. Hij kon er uitgebreid experimenteren met het maken van portretten omdat hij er zoveel mensen kende. Deftig uitgedoste vrienden, werklieden, bemanningen van boten: allen poseerden urenlang geduldig voor zijn camera.
Uit die tijd stammen ook de 'zelfportretten' waarbij hij hulp moet hebben gekregen van iemand die de lensdop eraf schroefde en er op tijd weer opzette. Olie laat zich van drie kanten zien: als huiselijke Zandhoeker, die met zijn hond op schoot ontspannen voor zich uit kijkt; als dandy, die met zijn sjaal, hoed en wandelstok klaar is voor een wandeling; en als timmerman met werkmansbroek, pet en voorschoot.
Voortdurend verlegde de gretige amateurfotograaf zijn grenzen, letterlijk én figuurlijk. De binnenstad werd al snel jachtterrein voor mooie plaatjes. Maar Olie begaf zich daar aanvankelijk niet met de camera op straat. Het stond hem tegen zomaar wildvreemde mensen aan te klampen met het verzoek om minutenlang stil te staan. Daarom bouwde hij een vast adressenbestand op van vrienden en kennissen bij wie hij vanuit het raam kon fotograferen en een donkere kamer kon inrichten.
Een van die adressen was op de Bloemsingel bij zijn vriend Johan Rust. Vooral het uitzicht op de Amstel-Binnen moet hem hebben geïmponeerd, want op die plek begon hij in 1862 te experimenteren met een van de moeilijkste vormen van fotografie. Wat tot kort geleden een verzameling losse foto's leek, blijkt na een uitvoerige studie door het Amsterdamse Gemeentearchief een ingenieus panorama van zeven onderdelen te zijn. Het strekt zich uit van het Rokin tot aan de Stopera. Op de plaats van de V staan herenhuizen, verder lijkt het Rokin nagenoeg onveranderd. Waar nu het monumentale Hotel de L'Europe staat, zag Olie vier panden die dienst deden als logement. Op de plaats van de Stopera staan het hervormde weeshuis en twee diamantslijperijen met rokende schoorstenen.

Conservator fotografie Anneke van Veen, die uitvoerig onderzoek deed naar het werk en leven van Jacob Olie - haar Olie-monografie verschijnt gelijktijdig met de expositie - is er nog steeds van onder de indruk. 'Ik begrijp niet hoe hij het heeft gedaan. Het maken van het panorama moet een bijna wetenschappelijke onderneming zijn geweest. Waarschijnlijk heeft hij iets gebouwd waardoor hij met statief en al, hangend uit het raam kon fotograferen. Echt een timmerman, inventief. Het is ook heel knap dat de foto's naadloos op elkaar aansluiten. Een leerling van hem heeft eens gezegd: "Wat zijn ogen zien, maken zijn handen." En terecht. De panorama's maken Jacob Olies werk onconventioneel.'
Olie moest de zelfgesneden glasplaten ter plekke bewerken met een dunne laag collodium (nitrocellulose) en ze baden in een oplossing van zilvernitraat. Als hij ze na de opnamen niet snel genoeg ontwikkelde en verder afwerkte, begonnen ze te drogen en te barsten. Op delen van het panorama zijn daarom craquelures te zien. Hij is de enige Nederlandse fotograaf van wie zoveel natte-collodiumglasnegatieven bewaard zijn gebleven, in totaal vierhonderd.

Olie stamt uit een rijke familie van walvisjagers en houtvlotters. Zij bonden boomstammen uit Rusland en Zweden samen tot vlotten, die ze met zeiljachten naar de houtzaagmolens vervoerden. Maar Jacob is een buitenbeentje. Al van jongs af tekent hij veel en verzamelt hij prentenboeken. Op zijn veertiende krijgt hij een brief van een oom, die schrijft: 'Gij toont u, mijn jonge vriend! reeds zeer vroeg een liefhebber en beoefenaar der schoone kunsten.'
Na een paar jaar Franse school gaat Olie in de leer bij een timmerman. In die tijd ontstaat een fascinatie voor de bouwkunst. Dat blijkt ook uit een verslag van een reis die hij op zijn negentiende met zijn vriend Pieter van Voornveld maakt naar Rotterdam en Den Haag. Het is een van de zeldzame documenten waarin hij uitweidt over zijn persoonlijke belevenissen.
Er spreekt een man uit die gretig en met oog voor detail, ieder station, paleis en raadhuis van top tot teen in zich opneemt. Een man die helemaal in vervoering raakt bij het aanschouwen van 'waar vakmanschap en goede smaak'. Zo schrijft hij over het Koninklijk Paleis in Den Haag: 'De pracht die daar heerscht was voor ons menschen die nog weinig gezien hadden onbeschrijfelijk...' En over Huis ten Bosch: 'De indruk die dat maakte was toverachtig. Men staat als het ware voor een ogenblik onthutst.'

       jacob-olieDe architect Leliman bij wie hij inmiddels werkt, vraagt hem in 1855 mede-oprichter te worden van het elitaire genootschap Architectura & Amicitia. Daar kan Olie zijn leergierigheid op het gebied van de bouwkunde bevredigen. De leden houden lezingen en debatteren wekelijks over nieuwe ontwikkelingen in de bouwkunst. Na verloop van tijd komen er ook steeds meer foto's op tafel. Ze moeten een stimulans zijn geweest voor Olie om zelf te gaan fotograferen.
Als in 1860 de Ambachtsschool wordt opgericht, solliciteert Jacob naar de functie van tekenonderwijzer. Volgens kleindochter Hanna Veldkamp-Olie (87) een logische stap. 'Grootvader beschouwde een timmerman als de ziel van een gebouw, als de man met de brains. Door goede timmermannen op te leiden kon hij zijn eigen bijdrage leveren aan de door hem zo geliefde bouwkunst.' In 1864 sluit hij zijn eerste periode als amateurfotograaf af, vermoedelijk omdat hij wordt opgeslokt door zijn nieuwe werkzaamheden. Pas vijfentwintig jaar later zal hij de camera weer ter hand nemen.

Carolina Blossmann

Ook buiten de school geeft Olie tekenles. Onder zijn leerlingen zijn de latere architect Berlage en Carolina ('Line') Blossmann. Zij is een nichtje en pleegdochter van Olies goede vriend Biengreber. Later gaat Carolina naar de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. In 1876 zal ze als eerste vrouw in Nederland haar Middelbare Onderwijsakte tekenen halen. Van zijn zeer kerkelijke en deugdzame moeder kreeg de verlegen Jacob ooit het advies maar niet te trouwen. Het lijkt alsof hij zich daar lange tijd aan heeft gehouden, want nergens wordt melding gemaakt van romances of ook maar enige belangstelling voor vrouwen. Maar Carolina maakt diepe gevoelens bij hem los.
'Grootmoeder moet een heel begaafde en bijzondere vrouw zijn geweest en ze was beeldschoon. Zij en grootvader waren zielsverwanten,' zegt kleindochter Hanna. Uit een brief van zijn goede vriend Van Voornveld uit 1878 blijkt dat Olie door een diep dal is gegaan voordat hij de achttien jaar jongere Carolina eindelijk ten huwelijk durft te vragen. 'Vriend! Ik zegen het oogenblik waarop de Gordiaanse knoop is doorgehakt. Ik zie daarin de hand van God. Wat u zelf niet aandurfde heeft Hij voor u bereid. U zijt voor elkander geboren! Mijn vriend kwijnde, ik mag haast zeggen stierf van lieverlede weg. Ge weet niet half hoe uw vergenoegde uiterlijk van gisterenavond mij goed deed. Ik wensch mijzelf gelukkig mijn vriend terug te hebben gekregen!'
Carolina en Jacob trouwen in datzelfde jaar en verhuizen naar een benedenhuis in de Huidekoperstraat bij de Weteringschans. Olie, vierenveertig jaar oud, is inmiddels onderwijzer-directeur op de Ambachtsschool die om de hoek ligt. Hij krijgt veel waardering voor zijn betrokkenheid bij school en leerlingen. 'Eén leerling onderneemt zelfs elk jaar, tot ver na zijn afstuderen, een bedevaart naar de Huidekoperstraat om Olie en zijn vrouw te bedanken,' zegt conservator Van Veen. In korte tijd krijgt het echtpaar zeven kinderen. Daarvan blijven er vier in leven. Door onzorgvuldig handelen van de arts sterft Line in 1886 in het kraambed. Jacob blijft gebroken achter met Jacob jr. Jan, Aagje en baby Willem. Hij koestert zelfs de kleinste dingen die zij nalaat.

Dat wordt zichtbaar tijdens een bezoek aan kleinzoon Jaap Olie (79). In een kartonnen doosje zitten huishoudboekjes uit haar tijd, schriften vol gedichten en kleine tekeningetjes van haar hand en allerlei krantenknipsels die ze verzamelde. Ontroerend zijn de met potlood omcirkelde overlijdensadvertenties van Carolina en van de kinderen Eelmer en Willem Cornelis, die heel jong stierven. Verspreid over de studeerkamer liggen tientallen mappen met faits divers zoals ontwerptekeningen van het Noordzeekanaal en diverse schepen, prenten uit 1840 van Franse en Spaanse monumenten en oude landkaarten.
Op de tafel prijkt een gegraveerd struisvogelei, een fotoalbum met plaatjes van de belangrijkste Brusselse huizen anno 1870, een diaserie over bedoeïnendorpen in Egypte en aquarellen van landschappen. 'Ik denk dat het tekeningen van opa en oma en leerlingen zijn,' zegt kleinzoon Jaap, die zich verontschuldigt voor de chaos. 'Opa was in alles geïnteresseerd wat er om hem heen gebeurde. Ik probeer al jaren orde te brengen in de nalatenschap, maar dat is niet eenvoudig. Want Olies verzamelen niet, ze bewaren. Alles.' Het is aan diezelfde bewaarzucht te danken dat het Gemeentearchief in 1959 zo'n 3700 glasnegatieven, 4000 positieven en 700 tekeningen en prenten aantrof bij de nazaten van Olie. Niet eerder was er een collectie foto's ontdekt die zo'n goed beeld gaf van het Amsterdam van rond de eeuwwisseling.
'Het is nooit iemand gelukt om de toon van zijn foto's te evenaren,' zegt kleinzoon Jaap. 'Dat komt omdat hij tijdens het ontwikkelen altijd op vijfentwintig centimeter afstand van de glasplaat drie lucifers afstak. Dat gaf een heel ander licht dan bijvoorbeeld een olielamp.'

Pas na zijn pensionering neemt Olie de camera weer op. In 1890 zijn de natte-collodiumplaten vervangen door kant-en-klare, droge-gelatineplaten. Die hoeft hij niet onmiddellijk na belichting te ontwikkelen. Olie heeft daardoor een veel grotere bewegingsvrijheid. Tot zijn dood in 1905 maakt hij nog zo'n 3600 opnamen, vooral van de oprukkende stad.
Een van de mooiste plaatjes is het panorama van het Museumplein, toen nog de IJsbaan, ten tijde van de opbouw van de wereldtentoonstelling (1893). Olie kijkt uit op een enorme bouwput, het zojuist gebouwde Stedelijk Museum, het nieuwe Concertgebouw en delen van de Van Baerlestraat. Daarachter liggen weilanden en sloten. 'Om dit panorama te kunnen maken moet hij op de toren van het Rijksmuseum hebben gestaan,' zegt Van Veen. 'Hij deed er alles aan om telkens het ideale standpunt te vinden. Tijdens de kroningsfeesten voor Wilhelmina in 1898 bijvoorbeeld, stond hij niet tussen de mensenmassa op het Damplein, maar hoog erboven in een dakgoot. Olie heeft werkelijk iedere toren in de binnenstad beklommen om foto's te nemen.'
Een ander voorbeeld is de foto van de Amstelkerk, omringd door bomen en chique herenhuizen, met op de voorgrond een drukke markt. Weer is het Olie gelukt uit een bovenetage van een huis te fotograferen waardoor hij een weids uitzicht had. Inmiddels gaat hij ook drukke buurten in, waar hij het straatleven goed kan vastleggen. Op de foto van de Utrechtsestraat in 1897 heeft hij alles in één beeld gevangen: de winkels, de paardentrams, de uitgedoste chique, de loopjongens en de Saartjes met hun witte schorten en kapjes op het hoofd.

De verleiding is groot om Olies werk met dat van zijn tijdgenoot de schilder Breitner te vergelijken. Toch is er een duidelijk onderscheid, vindt Anneke van Veen. 'Olie was meer op pad als verslaggever, terwijl Breitner de camera gebruikte als schetsboek voor zijn schilderijen. Ze delen weliswaar een passie voor bouwwerkzaamheden, maar Breitner legt dan de bouwput en de zwoegende werklieden vast, terwijl Olie zich op het verrijzende gebouw concentreert. Hij is zich bewust van de veranderingen om zich heen en ontwikkelt zich uiteindelijk tot een stadsfotograaf pur sang. Olie heeft nooit publiciteit met zijn foto's gezocht. Alleen aan zijn vrienden van Architectura & Amicitia liet hij ze weleens zien. Nu is het werk van de bescheiden fotograaf hét voorbeeld geworden van fotografie rond de vorige eeuwwisseling.'

Literatuur:

De monografie over Jacob Olie, geschreven door Anneke van Veen, conservator fotografie van het Gemeentearchief, is uitgegeven door Focus Publishing, fl. 95,-. Paperback fl.59,50 (alleen in de archiefwinkel verkrijgbaar)

Op www.gemeentearchief.amsterdam.nl is een keuze te zien uit de collectie-Jacob Olie. De getoonde foto's zijn via e-mail te bestellen.

Het wandelboekje Jacob Olie (1834-1905), fotograaf van Amsterdam (Peter Paul de Baar, Uitgeverij Thoth fl.18,50) met drie wandelingen: over de westelijke eilanden, in de oude binnenstad en in de omgeving van de Weteringschans.

Jacob Olie. Amsterdam gefotografeerd aan het eind van de negentiende eeuw, met een inleiding van Hans Aarsman, Uitgeverij De Verbeelding, fl.39,90.